Gezinskaart voorouders Anton Jansen - Persoonsblad
Naamvan Ruinen, Johan I 
Geboren datumcirca 1190
Notitie behorende bij Johan I van Ruinen
OHAN (I) van RUINEN geb.ca.1190 verm.1223-1241 , (zie Nederl.Leeuw 1981 p.277,278)
Een Johan van Ruinen wordt vermeld in 1223, circa 1225, in 1230, 1236 en 1241.
Deze vanaf 1223 voorkomende Johan was een andere dan de Johan van de vierde generatie in 1212. Want 1°: de tweede Johan was van zijn familie duidelijk de hoofdfiguur van die tijd: niet alleen was hij in 1223, 1230 en 1241 getuige van de bisschop (die voor dat doel geen secundaire familieleden zal hebben aangetrokken), maar ook wordt hij rond 1225 genoemd in een lijst van opbrengsten van het Domkapittel te Utrecht (voor 5 ponden en 5 solidi, - meer dan een machtig man als Egbert van Groningen, met 3 ponden 18 solidi en 4 Groningse denariën); deze Johan is derhalve ondenkbaar náást Arnold II. En 2°: in 1236 was er sprake van de gebroeders Johannes en Laurencius, ridders, bij de beslechting van een geschil tussen deze twee enerzijds en de abdij van Ruinen anderzijds (zij waren duidelijke Van Ruinen telgen, gezien de partijen en plaats - Buddingwolde - van het geschil en gezien het feit dat de naam Laurens naderhand bij de Van Ruinen's nog weer voorkomt): daarbij was Johan de hoofdtelg. Hij moet dan ook een zoon van Arnold II zijn geweest.
In de vermeldingen van 1230, 1236 en 1241 was Johan I van Ruinen ridder. Als we daarom aannemen, dat hij in 1230 zo'n 40 jaar oud was (dat kan aardig kloppen met zijn laatste vermelding in 1241 op ruim 50-jarige leeftijd), dan is hij rond 1188 geboren, hetgeen voortreffelijk past in de chronologie van Arnold II.
Bronnen:
1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 274 - 275, Abt--1188, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.