Gezinskaart voorouders Anton Jansen - Persoonsblad
Gezinskaart voorouders Anton Jansen - Persoonsblad
Naamvan Ruinen, Otto I
Geboren datumcirca 1090
Partners
Ongehuwd
KinderenArnold I (ca 1115-)
Notitie behorende bij Otto I van Ruinen
OTTO (I) van RUINEN geb.ca.1090/5 verm.1139-1141 (zie Nederl.Leeuw 1, 9, 81 p.277,278

De oudste stamvader was een Otto van Ruinen, die in 1139 voor het eerst wordt vermeld als getuige van bisschop Andreas. Hij was toen al niet zo jong meer, want bij een belangrijke schenking in 1141 uit allodiaal bezit aan het klooster te Ruinen (de latere abdij te Dikninge, - misschien ter gelegenheid van de stichting van het klooster), was mede-ondertekenaar zijn zoon, die toen dus volwassen was.

Bronnen:

1J.W. Schaap, De heren van Ruinen en hun heerlijkheid (Nederlandse Leeuw CD-Rom, ISBN 90-800382-8-8), 1981, kol. 273 - 274, --1139, Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, Postbus 85630, 2508 CH 's-Gravenhage.
"De bisschoppen van Utrecht hadden in de hoge en late Middeleeuwen een sterke band met Drenthe. Tijdens het episcopaat van Herbert van Bierum (of wellicht: van Wierum, 1139 - 1150) stelde de bisschop zijn ene broer Lefferd aan tot prefect van Groningen en de omringende Noorddrentse gebieden en een andere broer Lodolf tot prefect van Coevorden met jurisdictie over de rest van Drenthe. De Coevordense prefecten en de groeiende stad Groningen stelden zich steeds onafhankelijker op tegenover de bisschoppen, met als gevolg eeuwenlange moeilijkheden en strijd.
Afzijdig van deze strijdgebieden bevond zich in het zuidwesten van Drenthe een heerlijkheid Ruinen. Deze heerlijkheid heeft zich in een veel rustiger bestaan kunnen verheugen."
Letterlijke citaten zijn grotendeels als annotatie overgenomen, wegens het familierelatie bewijs dat in de tekst beschreven staat.

Familie Van Ruinen, (Geschiedenis van Drenthe)
Niet in maatschappelijk en agrarisch opzicht als plattelandssamenleving, maar wel in bestuur en rechtspraak nam Ruinen* een bijzondere en geheel eigen plaats in. Het was een hoge heerlijkheid onder de naam Ruinen en Ruinerwold, die de heer van Ruinen met andere rechten aldaar* van de bisschop in leen hield. De periodieke bisschoppelijke precariae, de vaste beden, inde de bisschop — althans in de 16e eeuw — te Ruinen geheel afzonderlijk en in gewijzigde vorm, doch afgestemd op de totale Drentse opbrengst.
In deze heerlijkheid behoorden tot de rechten van de heer behalve het hoog- en laaggerecht ook verschillende soorten pachten, het jacht- en visrecht, de gruit, de boterpacht op Buddingewold (het oostelijk deel van Ruinerwold) en de benoeming van de schulten van Ruinen en Ruinerwold, wier taak zo ongeveer gelijk was aan die in de andere kerspelen of schuldambten. Bovendien had de heer de tienden* en acht goederen te Ruinen in leen van de bisschop*, naast leengoederen en tienden elders in Drenthe — zoals te Zuidwolde, Rolde, Gees en Diever — en zelfs in Twente*. Ook de molen te Blij denstede (de oude naam van Ruinerwold) was met de daaraan verbonden rechten sedert 1402 in handen van de heer*.
De heren van Ruinen — in de loop van de i e eeuw leden van de familie Van Munster — zetelden op het goed Oldenhave. Zij hadden de opperste leiding over rechtspraak en bestuur en in interne dorpsaangelegenheden. De hoge heerlijkheid geraakte aldus buiten gosprake en de rechtstreekse competentie van de Etstoel, maar viel wèl onder de beroeps— en revisiemogelijkheden van dit gerecht.
Ruinerwold kreeg in 1428 een eigen landrecht onder de naam ‘Landrecht van Buddinge- en Haakswolde’, dat evenwaardig was aan het algemene Drentse Landrecht van 1412. Het werd bevestigd door de erfdochter van Ruinen, vrouwe Johanna, en haar echtgenoot Berend van Munster*. Deze definitieve optekening was noodzakelijk geworden door hun vele ruzietjes met de ingezetenen. De inhoud van dit recht was op hoofdpunten in overeenstemming met het Drentse Landrecht*.
Bij de bestraffing van halszaken hield de heer van Ruinen rechtspraak met 12 etten of rechters. In de overige strafzaken sprak de heer recht en legde hij boetes op, zoals de drost dat elders deed, met revisiemogelijkheid bij de Etstoel*. Voor burgerlijke zaken die schulte* en keurnoten uit de dorpen behandelden ten over staan van de gemene meente*, bestond beroepsmogelijkheid op de heer en de etten van Ruinen of Ruinerwold. Eigendomsoverdracht geschiedde ten overstaan van de schulte en drie gezworenen*. De ingezetenen waren, zodra de heer hen opriep, één dag verplicht tot de landsverdediging van Ruinen.
Eerder echter, al in het eerste decennium van de i e eeuw, had heer Johan voor Ruinen, op advies van de adellijke families Geuzinge en Polman, de abdij Dikninge en de gemene buren zelf, in een willekeur de plaatselijke rechts- en bestuursorganisatie en competentie voor de buren laten vastleggen*. De buren kozen sedert dien jaarlijks gezworenen, van wie er één overste was. Zij kregen het autonome recht tot regeling van interne dorpsaangelegenheden, voerden hun eigen besluiten ook uit en hielden er toezicht op. Dit gold onder meer de markegronden en de waterstaatszaken* — zoals het schouwen van weteringen en stromen, van dijken, paden, weiden en hooilanden — en voorts het schutten van loslopend vee. De gezworenen behandelden alle zaken betreffende de buurherders die waren belast met het toezicht op de schaapskudden van de geërfden. Bij overtreding van bepalingen stelden de gezworenen zelfde breuke vast, inden en verteerden deze, gedeeltelijk met en gedeeltelijk zonder de gemene buren. Alleen in geval van pandwering (weigering van beslaglegging op goederen) moesten de gezworenen de zaak voorleggen aan de heer. De gezworenen vertegenwoordigden de buren in rechte tegenover derden.
De leengoederen die de heer te Ruinen in bezit hield, gaf hij voor een niet onbelangrijk deel gedurende lange periodes in achterleen uit aan leden van de families Polman, Geuzinge, De Gruter en Oving*, die mede daardoor vooraan staande bezitters van hoeven, erven en grond werden. Er is zelfs sprake van een afzonderlijk leenrecht. Daarnaast had de heer van Ruinen zelf ook pachters en nogal wat inkomsten uit het tiendrecht.
Al de bezitters van erven en grond in de heerlijkheid* hadden bepaalde verplichtingen ten aanzien van de heer, voortvloeiende hetzij uit de heerlijkheid, hetzij uit het leenrecht. Sommigen bijvoorbeeld moesten één dag per jaar herendienst verrichten op de Oldenhave, in ruil overigens voor gratis leem en bouw- en onderhoudsmateriaal voor hun hoeven*. Ook hadden zij soms toestemming nodig van de heer en vrouw van Ruinen bij wijziging van bezitsverhoudingen*. Oudere schrijvers, zoals Magnin, menen dat ingezetenen van Ruinen door dit alles — en in het bijzonder door het voorbehoud van het jacht- en visrecht aan de heer en diens uiteindelijke toestemmingsrecht zelfs bij dorpsaangelegenheden die de gezworenen regelden — minder zelfbewust zouden zijn geweest en zich minder zelfstandig zouden hebben gevoeld dan de andere Drenten.
Naast de heer van Ruinen was ook de abdij Dikninge, die immers eertijds te Ruinen gevestigd was geweest, aldaar grootgrondbezitter. De goederen werden beheerd door een monnik die als rentmeester fungeerde*. De abdij bezat ook het patronaatsrecht over de kerk en benoemde veelal een monnik van het eigen convent tot pastoor. In de kerk stichtte en begiftigde de heer van Ruinen enkele vicarieën* waarover hij het collatierecht uitoefende. Ook de abdij stichtte in 1419 een vicarie, waarvan de vicaris op de pastorie kon inwonen en tevens in de parochiezielzorg werkzaam was*. De heer en vrouwe zelf en geërfden als Simon Polman — leenman van de heer — vermeerderden ook in de 15e eeuw nog het bezit van de abdij te Ruinen aanzienlijk met akkers en tienden.
In de eerste decennia van de i e eeuw, in het bijzonder omstreeks 1420, groeide Ruinen door ontginningen en stichting van nieuwe erven*. Er vond verschillende malen markescheiding plaats op initiatief van heer en abdij. Dit leidde tot de vestiging van vooral nieuwe keuterboeren. Dit verschijnsel herhaalde zich omstreeks 1520-1521. Uiteraard steeg echter het inwonertal bij lange na niet in die mate als te Meppel in de loop van de i e eeuw het geval was geweest.
De heerlijkheid Ruinen was niet vrijgesteld van de betaling van de incidentele Drentse landschattingen, die de bisschop en de landdag van tijd tot tijd oplegden aan het gemene land.
De feitelijke betrekkingen tussen de bisschop en de soms eigenzinnige heren of vrouwen van Ruinen waren wisselvallig. Het begon overigens gunstig. Al in 1393 waren Arend Huys, heer van Ruinen, en zijn oudste zoon Johan van Ruinen trouw aan Frederik van Blankenheim, dit in tegenstelling tot andere leden van de Drentse adel. Zij behoorden in 1395 tot de vele leden van de ridderschap die de bisschop hun hulde bewezen*. Het was dan ook niet verwonderlijk, dat incidenteel een heer van Ruinen in dienst was van de bisschop. Zo was omstreeks 1431 Berend van Munster namens de bisschop ambtman van het gerecht van Selwerd bij Groningen*. Omstreeks 1465 ontstond echter een hooglopend conflict tussen bisschop David van Bourgondië en de erfdochter Johanna van Ruinen en haar tweede echtgenoot Roelof van Laer. Zij hadden de graaf van Hoya, een familielid van de bisschop, ten onrechte en in strijd met de landvrede gevangen gezet. David van Bourgondië raakte daarover zo ontstemd, dat hij een tijdlang de heer en vrouw van Ruinen hun leenbezit, dus de gehele heerlijkheid, ontnam.
Laatst bijgewerkt 24 juni 2016Gemaakt 23 december 2021 met 'Reunion for Macintosh'